Visie Intraverte

Onze visie

Wij zijn er voor kinderen bij wie de ontwikkeling niet helemaal vanzelf gaat. Bijvoorbeeld voor kinderen die weinig zelfvertrouwen hebben, zich niet goed kunnen concentreren in de klas, moeite hebben met een scheiding of soms heel boos kunnen worden en eigenlijk niet goed weten hoe ze daarmee om kunnen gaan. Maar ook wanneer motorische vaardigheden achterblijven zoals schrijven, fietsen, klimmen en rennen. Wij helpen kinderen door aan te sluiten op de eigen ontwikkeling van een kind; dus via spel en beweging! Onze visie en inspiratie is onder andere gebaseerd op:

Het Biopsychosociaal model:

‘De meeste kinderen bewegen van nature veel en graag. Ze grijpen, kruipen, bouwen, hollen, schreeuwen, klimmen, voetballen en fietsen. Bewegen is van alle leeftijden, en behalve leuk en gezond is bewegen vooral ook heel nuttig. Spelenderwijs oefenen kinderen hun spieren, zintuigen en motoriek. Ongemerkt leren ze zo de vaardigheden die ze de rest van hun leven nodig hebben. Elk kind ontwikkelt zich op zijn eigen manier, in zijn eigen tempo. Meestal gaat dat goed, maar soms loopt een kind een ontwikkelingsachterstand op. Omdat er bijvoorbeeld iets mis is met een van de zintuigen, het zenuwstelsel of het bewegingsapparaat. Een kind met een motorische ontwikkelingsachterstand heeft extra zorg en aandacht nodig. Het moet harder zijn best doen en meer dan gemiddeld oefenen om bepaalde vaardigheden onder de knie te krijgen. Dan kan het kind baat hebben bij behandeling door de kinderoefentherapeut. De kinderoefentherapeut heeft zich gespecialiseerd in de (senso)motorische ontwikkeling van kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar (lees verder).’

(Bron: Kinderoefentherapie, juni 2006  copyrightSeptember 2006, Mignon Biesta, Kinderoefentherapeut en Orthopedagoog Rinie van den Bogaard, Kinderoefentherapeut Detti Steeman, Kinderoefentherapeut)

‘De ontwikkeling van een kind vindt haar weg langs verschillende domeinen, waarvan de belangrijkste het fysieke, cognitieve, emotionele, en sociale domein zijn. Hoewel dit onderscheidt in de verschillende ontwikkelingsdomeinen de indruk kan wekken dat deze zich onafhankelijk van elkaar ontwikkelen, is het tegendeel waar. De ontwikkeling in deze domeinen is nauw met elkaar verweven en beïnvloedt elkaar wederzijds sterk’ uit: Hoe ondersteun je een goede motorische ontwikkeling? De auteur, Bert Steenbergen,  is hoogleraar Perception and Action problems aan het Behavioural Science Institute aan de Radboud Universiteit. Zijn onderzoeksgroep richt zich op kinderen met motorische en perceptuele beperkingen (lees verder).

Draagkracht en draaglast:

‘Om de wisselwerking tussen beschermende en risicofactoren, tussen individuele ontwikkeling en sociale omgeving en tussen de verschillende socialisatiemilieus in kaart te brengen, introduceren we de begrippen draagkracht en draaglast. Draaglastis het geheel van taken dat ouders en kinderen te vervullen hebben. Deze taken gaan verder dan de opvoeding en ontwikkeling in strikte zin. Ouders (en kinderen) hebben op verschillende terreinen levenstaken te verrichten, zoals voorzien in primaire levensbehoeften en materiële bestaansvoorwaarden – inkomen, voeding, kleding, huisvesting en dergelijke – en huishoudelijke en maatschappelijke taken. Daarbij kunnen bepaalde risicofactoren of gebeurtenissen extra stress tot gevolg hebben en daarmee de taken verzwaren en de draaglast vergroten. Dat zijn bijvoorbeeld aangeboren problemen van het kind of problematische sociale en achtergrond factoren zoals sociaal isolement, armoede, werkloosheid en dergelijke. Ook bepaalde (traumatische) gebeurtenissen, zoals overlijden of scheiding, kunnende draaglast sterk vergroten. In feite bestaat de draaglast uit het totaal van (ontwikkelings- en levens)taken en stressoren (bedreigende factoren) waarmee kind en ouders worden geconfronteerd. Draagkrachtis dan het geheel van competenties en beschermende factoren dat ouders en kinderen in staat stelt deze taken en bedreigende factoren het hoofd te bieden. De mate van draagkracht en draaglast dient enigszins in evenwicht te zijn (lees verder vanaf pagina 33).’

(Bron: O + O = O2, naar een samenhangend beleid en aanbod van opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering voor kinderen en ouders in risicosituaties, NIZW, Ina Bakker,Kees Bakker, Anke van Dijke. Linda Terpstra)

Neurologische leeftijd:

‘Vanaf de geboorte, of eigenlijk al daarvoor, tot aan de volwassenheid ontwikkelen kinderen zich. Deze ontwikkeling is zowel fascinerend als complex. Het maakt dat kinderen van driejaar oud zich anders gedragen dan kinderen van achtjaaroud. Wat voor een driejarige als normaal gedrag wordt beschouwd, noemen we vaak afwijkend als het nog optreedt op de leeftijd van achtjaar. Om dus iets te kunnen zeggen over wat normaal is en wat niet, dienen we inzicht te hebben in het functioneren op bepaalde leeftijden. Aangezien al ons gedrag wordt geregeld door onze hersenen, van het bewegen van één vinger, tot de meest geniale uitvindingen, heeft de ontwikkeling van baby tot volwassene dus ook alles te maken met de ontwikkeling of rijping van ons centrale zenuwstelsel. Alvorens iets te kunnen zeggen over de gevolgen van een achterblijven in ontwikkeling en eventuele daaruit voortvloeiende leer-of gedragsproblemen, moeten we dus eerst iets weten over de ontwikkeling van ons zenuwstelsel (lees verder).‘

(Bron: VAN KIND TOT VOLWASSENE. De rol van de neurologische en neuropsychologische ontwikkelingen de effecten van een neurologische rijpingsachterstand. Peter van Nunen, Klinisch Psychofysioloog/ Neuropsycholoog/ GZ-psycholoog. Eindhovens Psychologisch Instituut, versie 1.2 januari2010.)

Het motorisch leerproces

‘Laten we vooraf het gebied afbakenen waarover het in dit topic gaat: motorisch leren. In definitie: Motorisch leren is het optreden van duurzame veranderingen in gedragsmogelijkheden als gevolg van ervaringen met de omgeving. Motorisch leren vindt ergens in het zenuwstelsel plaats tussen prikkels en beweging. Het is niet exact te lokaliseren waar dat gebeurt (lees verder).’

(Bron:www.kennisbanksportenbewegen.nl, artikel onder redactie van Hans Dijkhoff)

Positieve gezondheid (Machteld Huber)

‘‘Health as the ability to adapt and to self manage, in the face of social, physical and emotional challenges’, ofwel in het Nederlands ‘Gezondheid als het vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven’. Het grote verschil met de WHO definitie zit hem volgens Huber in de benadrukking van de mogelijkheid gezond te zijn of te worden, zelfs in het geval van ziekte. De auteurs spreken bewust van een concept, een karakterisering, dan een definitie, die afbakent (lees verder).’

(Bron: IPH)

Positieve Psychologie

‘De positieve psychologie is de stroming die uitgaat van de sterke kanten van de mens en de veronderstelling dat geluk niet het gevolg is van alleen de juiste genen of toeval, maar te vinden is door het identificeren en gebruikmaken van de sterke kanten die iemand al bezit.

Welbevinden
Deze psychologie kwam in de belangstelling toen Seligman in 1998 voorzitter werd van de belangrijke American Psychological Association. Het werd zijn missie om de positieve psychologie op de kaart te zetten. Seligman en zijn collega’s stellen dat het niet de bedoeling van de positieve psychologie is om alles wat er inmiddels bekend is over menselijk lijden en ziekten te vervangen, maar juist aan te vullen en te komen tot een betere balans in de aandacht voor de pieken en de dalen van het menselijk bestaan.Het is belangrijk om te beseffen dat gezondheid niet hetzelfde is als de afwezigheid van ziekte, of het nu gaat om lichamelijke of geestelijke gezondheid. Mentale gezondheid is meer dan dat: het is de aanwezigheid van welbevinden. Tot voor kort hielden de psychologie en psychiatrie zich voornamelijk bezig met problemen, klachten en symptomen als angst en depressie, en hoe deze klachten verminderd konden worden. Dit weerspiegelt de tijdgeest, waarin de meeste disciplines zich richten op problemen en beperkingen.

Kracht in plaats van klacht
In de internationale psychologische literatuur tussen 1970 en 2000 zijn ongeveer 54.000 abstracts te vinden waarin het woord depressie voorkomt: 41.000 waarin het woord angst staat  en slechts 400 waarin het woord vreugde voorkomt.

Sinds de introductie van de positieve psychologie richten psychotherapeuten de aandacht steeds vaker op krachten in plaats van op klachten. Niet langer staat het bestrijden van psychische klachten centraal, maar het ontwikkelen van krachten. Daarmee doelt men op positieve, functionele en gezondheidsbevorderende factoren.

In plaats stil te staan bij wat niet goed gaat, verplaatst men de aandacht naar wat wel goed gaat  en welke factoren de draagkracht van de cliënt kunnen bevorderen. In plaats van de aandacht te richten op de oorzaken en gevolgen van bijvoorbeeld angst en depressie, richten psychotherapeuten  de aandacht op de momenten waarop de klachten minder of niet voorkomen en hoe de cliënt dat voor elkaar krijgt. In de Positieve psychologie treffen we naast begrippen als optimisme, hoop, vertrouwen in eigen effectiviteit, zelfrespect en positieve emoties ook om veerkracht, geluk, dankbaarheid en flow (lees verder).’

(Bron: https://nivoz.nl)

Model van Dunn

‘Dunn’s Model of Sensory Processing was developed in the field of occupational and educational counseling. Dunn proposes that four sensory processing patterns characterize the perceptual process. These patterns are thought to arise from individual differences in neurological thresholds for stimulation (high-low) and self-regulation strategies (active-passive). Crossing these dimensions gives us four sensory processing styles (Dunn, 2001; 1997).’ (lees verder)
(Bron: wikidot.com)

ICF model

‘Aspecten van het menselijk functioneren die gerelateerd kunnen zijn aan een gezondheidsprobleem, worden in de ICF op systematische wijze geordend. In aanvulling op de Internationale Classificatie van Ziekten (ICD) worden in de ICF naast gezondheidscomponenten ook een aantal met de gezondheid samenhangende componenten, zoals bijvoorbeeld op het gebied van werk en onderwijs, gedefinieerd. Met behulp van de ICF kan het menselijk functioneren worden beschreven vanuit drie verschillende perspectieven: 1. het perspectief van het menselijk organisme; 2. het perspectief van het menselijk handelen, en 3. het perspectief van de mens als deelnemer aan het maatschappelijk leven (lees verder).’

(Bron: Nederlandse vertaling van de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ eerste druk 2002)

Rust en herstel (Erik Scherder)

‘Om mentaal gezond te blijven, heb je tussen alle hersenactiviteit door voldoende rust en hersteltijd nodig. ‘Er komt tegenwoordig meer op ons af dan vroeger, maar we hebben nog het stressysteem van een vis. Steeds even op je telefoon kijken is belonend, maar de rust is weg, ook na het werk.’ In rust komt het default netwerk van je brein op gang, dan krijg je goede ideeën en stijgt je productiviteit. Scherder propageert daarom naast veel activiteit het nietsdoen (lees verder).’

(Bron: https://vumagazine.nl, Rianne Lindhout)

Executieve functies/model

‘Executieve functies zijn al die regelfuncties van de hersenen die essentieel zijn voor het realiseren van doelgericht en aangepast gedrag. Alle executieve functies of vaardigheden hebben een controlerende en aansturende functie. Met deze functies bepalen we het doel van ons handelen en gedrag, schakelen we afleidende factoren uit, plannen we de volgorde van handelingen, voeren we de taken die daarvoor nodig zijn stap voor stap uit en controleren we het effect, waarbij we ook rekening houden met mogelijke toekomstige effecten. We reguleren er emoties, motivatie en alertheid mee en laten ervaringen uit het verleden meespelen bij de verwachtingen over en beslissingen voor de toekomst. Executieve functies kunnen worden gezien als de ‘dirigent’ van de cognitieve vaardigheden, het zijn een verzameling processen die te maken hebben met het beheren van jezelf en de bronnen die nodig zijn om een doel te bereiken (lees verder).’

(Bron: https://slo.nl)

Zelfregulatie (Kate R. Lorig)

‘Self-management has become a popular term for behavioral interventions as well as for healthful behaviors. This is especially true for the management of chronic conditions. This article offers a short history of self-management. It presents three self-management tasks–medical management, role management, and emotional management–and six self-management skills–problem solving, decision making, resource utilization, the formation of a patient-provider partnership, action planning, and self-tailoring. In addition, the article presents evidence of the effectiveness of self-management interventions and posits a possible mechanism, self-efficacy, through which these interventions work. In conclusion the article discusses problems and solutions for integrating self-management education into the mainstream health care systems (lees verder).’

(Bron: Self-Management Education: History, Definition, Outcomes, and Mechanisms. Kate R. Lorig en Halsted R. Holman)

Ontwikkelingspsychologie van Feldman

‘Ontwikkeling van kinderen verloopt soms gestaag, soms sprongsgewijs en verloopt voor elk kind voor verschillende ontwikkelingsaspecten in een ander tempo. Kinderen leren en ontwikkelen zich op heel verschillende manieren. Door te spelen, door te oefenen, samen, alleen. Elk kind vindt op een eigen manier zijn of haar intrinsieke motivatie. Op elke leeftijd zijn kinderen en jongeren bezig met het vinden van hun eigen identiteit, ze zoeken de balans tussen grenzen en eigen ruimte en vrijheid en tussen sturing en zelfstandigheid (lees verder).’

(Bron: Handreiking ontwikkelingspsychologie 2018, grotendeels gebaseerd op één standaardwerk over ontwikkelingspsychologie (Feldman, 2016) en met bijdragen van Prof. Dr. Eveline Crone (universiteit Leiden), Prof. Dr. Rob Martens en Prof. Dr. Luc Stevens (NIVOZ).